TechniekWie judo beoefent weet dat judo techniek een heel belangrijk onderdeel is van deze martial art. In het judo zijn er talloze worpen, vallen, rollen, wurgingen, klemmen en slagen maar de focus ligt op het werpen (naga-waza) en grondgevecht (ne-waza). Worpen zijn onderverdeeld in twee groepen technieken, staande technieken (tachi-waza) en opofferingstechnieken (sutemi-waza). Staande technieken zijn verder onderverdeeld in handtechnieken (te-waza), heuptechnieken (koshi-waza) en voet- en beentechnieken (ashi-waza). Opofferingstechnieken zijn onderverdeeld in technieken waarin de werper zich achteruit laat vallen (ma-sutemi-waza) en waarin de werper zich op zijn zij laat vallen (yoko-sutemi-waza).

De technieken voor het grondgevecht zijn onder te verdelen in aanvallen tegen gewrichten en gewrichtsklemmen (kansetsu-waza), verwurgingen (shime-waza) en houdgreeptechnieken (osaekomi-waza). In het judo wordt ook aan een soort sparring gedaan, beter bekend onder de naam randori dat vrije oefening betekend. In randori probeert men de tegenstander met behulp van werp- en grijptechnieken aan te vallen. Stoottechnieken (atemi-waza) zoals trappen en stoten komen alleen terug bij het uitvoeren van een kata. Vanwege de veiligheid mag niet iedereen dezelfde technieken toepassen. Verwurgingen en klemmen mogen pas worden toegepast als de judoka in het bezit is van een bepaalde graad. In de Verenigde Staten mag een judoka pas armklemmen toepassen als hij/zij ouder is dan 16 jaar.