De oorsprong van Chinese martial arts gaat wel ruime zesduizend jaar in de tijd terug. De geschiedenis van Kung-Fu is ook al eeuwenoud. Om zichzelf te kunnen verdedigen, om te jagen en als militaire training ontwikkelde de krijgskunsten zich. Man-tot-man gevechten en het oefenen met wapens vormde een belangrijke basis voor de opleiding van Chinese soldaten.

Al vanaf dit begin ontwikkelden er verschillende filosofische ideeën en concepten met betrekking tot de martial arts. Allereerst was er de noodzaak tot het leren van zelfverdediging, maar later kwamen er andere aspecten voor het beoefenen van martial arts aan het licht: voor het onderhouden van lichaam en geest en een goede fysieke gezondheid. Nog verder ging het en uiteindelijk worden de Chinese martial arts beschouwd als een manier om zichzelf, zijn of haar persoonlijkheid en zelfs geest (spirit) te ontwikkelen in harmonie.

De martial arts zijn diep door gedrongen in de Chinese cultuur en maatschappij en kunnen zodoende overal terug te vinden zijn: in gedichten, verhalen en fictie en uiteraard in talloze films. Martial arts zijn integreel onderdeel geworden van de Aziatische – en dan vooral de Chinese – cultuur.

Volgens legendes werden de eerste vormen van martial arts door de ‘Gele Keizer’ geïntroduceerd in China omstreeks 2700 v. C. De ‘Gele Keizer’ (Huangdi) wordt in verhalen beschreven als een beroemde Generaal, die voordat hij de leider van China werd, een authoriteit was op het gebied van geneeskunde, astrologie en gevechtskunsten.

Shoubo kung fu, welke beoefend werd tijdens de Shang dynastie (1766 tot 1066 v. C.), en Xiang Bo (de voorloper van het huidige Sanda) dat omstreeks 600 v. C. werd beoefend, zijn slechts twee voorbeelden van het klassieke Chinese kung fu.

In 509 v. C. stelde Confucius voor aan de leider van die tijd dat het gewone volk naast de literaire kunsten tevens de krijgskunsten zouden moeten aanleren. Zodoende was het dus dat kung-fu al ruim duizend jaar voor het populaire Shaolin kung fu zou ontstaan, beoefend werd door het gewone volk.

Man-tot-man gevechtstheorie, inclusief het onderscheid van zgn. ‘harde’ en ‘zachte’ techniekvormen, is terug te vinden in het verhaal ‘maagd van Yue’ uit de 5de eeuw voor Christus.

De beroemde dichter Li Bai beschrijft vormen van zwaarddansen tijdens de Tang Dynastie. Door het keizerlijke huis werd de oudste vorm van Sumo, xiangpu, gesponsord tijdens de Song en Yuan dynastieën. Volgens één van de klassieke geschriften van het Confucianisme, Zhou Li, zijn boogschieten en het rijden met de strijdwagen, onderdeel van de ‘zes kunsten’ van de Zhou dynastie. De andere kunsten zijn: ceremonie, muziek, kalligrafie en wiskunde.

Een zeer beroemd boek vandaag de dag, is ‘the art of war’, geschreven door Sun Tzu in de 6de eeuw voor Christus. Het boek gaat om militaire tactieken, maar maakt gebruik van concepten en ideeën uit de Chinese martial arts. Eerder genoemde voorbeelden van boekwerken geven aan dat het gedachtegoed over de Chinese martial arts mee veranderde met de Chinese maatschappij. De martial arts kregen hierdoor duidelijk ook een filosofische basis.

Taoïsten oefenden Tao Yin, een reeks fysieke oefeningen die vergelijkbaar zijn met het oude Qiqong, dat een voorloper was van het Tai Chi Chuan. Pan Ku schreef in de eerste eeuw in de Han Shu (geschiedenis van de voormalige Han Dynastie) zes hoofstukken over hand-tot-hand gevechten. Hao Tu, een geleerde arts, stelde het ‘stuk van vijf dieren’ samen – tijger, hert, aap, beer en vogel – omstreeks 220 v. C. De filosofie van het Taoïsme en hun visie op fysieke oefeningen en gezondheid zijn zeker tot op bepaalde hoogte richtinggevend geweest voor de Chinese krijgskunsten.

Van één van de bekendste Chinese vechtstijlen, het Shaolin Kung Fu, is bekend dat er bewijzen zijn van deelname aan gevechten in het jaar 610 tijdens het verdedigen van het Shaolin Klooster tegen bandieten. Tijdens de strijd van Hulao in 621 vochten de Shaolin monniken wederom en hadden een bijdrage in het verslaan van Wang Shichong. Van de 8ste tot en met de 15de eeuw zijn er geen bewijzen van deelname van Shaolin monniken in gevechten. Er zijn echter meer dan voldoende bronnen uit de 16de en 17de eeuw die aantonen dat de monniken zich bezighielden met gevechtskunst. Sterker nog, dit was een integraal onderdeel van het kloosterleven van de monniken en leverde talloze informatie op voor schrijvers van encyclopedieën, dichters en geschiedschrijvers.

Generaal tijdens de Ming periode – Qi Juguang – beschreef in zijn boek, Ji Xiao Xin Shu, zeer specifiek over het fameuze wapen van de Shaolin monniken: de lange stok (Gun, Juen). Eveneens beschrijf hij de Shaolin Quan Fa (principes van de vuist). Zijn boek kan letterlijk vertaald worden als: ‘het nieuwe boek van effectieve gevechtstechnieken’. Dit boek raakte verspreid over Zuidoost-Azië en had hierdoor een grote invloed op de ontwikkeling van martial arts in Okinawa, Korea en Japan. Veel van de traditionele stijlen van Okinawa, die de voorlopers zijn van het Japanse Karate, zijn in grote mate beïnvloed door de Chinese martial arts.

De gevechtsstijlen die vandaag de dag beoefend worden, werden in de loop van de eeuwen verder ontwikkeld. Direct gevolg hiervan zijn de vormen die later in het leven werden geroepen. Enkele van deze stijlen zijn: Bagua, Dronken Boksen, Adelaarsklauw, Vijf Dieren, Hsing I, Hun Gar, Lau Gar, Aap, Tijger, Bak Mei Pai, Bidsprinkhaan, Witte Kraanvogel, Wing Chun en Tai Chi Chuan.

De huidige Chinese martial arts zijn sterk beïnvloed door de gebeurtenissen tijdens de Republikeinse Periode van 1912 tot en met 1949. In de periode van het verval van de Qing Dynastie, de Chinese burgeroorlog en de Japanse bezetting werden de gevechtskunsten populair onder het gewone volk. Dit kwam omdat veel martial artists aangemoedigd werd om hun kunsten en technieken over te dragen. Velen beschouwden de martial arts als een middel om nationale trots uit te dragen en om een sterke gemeenschap te vormen.

In deze periodes werden veel boekwerken, syllabi en handleidingen gepubliceerd. Er werd zelfs een trainingsacademie gebouwd en men kon landelijk erkende examens afleggen. Er ontstonden talloze martial arts federaties in geheel China. Tijdens de Olympische Spelen van Peking in 1936 werden de Chinese martial arts voor het eerst getoond aan een internationaal publiek.

Hierdoor en na het einde van de Burgeroorlog werden de Chinese krijgskunsten bijzonder populair en zeer snel verspreid over geheel Azië en uiteindelijk ver daar buiten. Tijdens de roerige jaren van de Chinese Culturele Revolutie (1969-1976) werd het ontmoedigd om de traditionele kunsten te beoefenen. De Chinese cultuur verschoof meer naar het Maoïsme en Wushu werd sterk aangemoedigd als nationale sport. Heden ten dage geniet het Wushu wereldwijd een enorme populariteit.