Boksen (Engeland)

Boksen, ook wel Engels boksen geheten, is een vechtsport waarin twee deelnemers van hetzelfde gewicht tegen elkaar vechten, daarbij gebruikmakend van hun vuisten. Een bokswedstrijd staat onder toezicht van een scheidsrechter en er wordt gevochten gedurende een aantal rondes. Een ronde duurt tussen de 1 en 3 minuten. Een bokser wint als hij zijn tegenstander neerslaat en deze niet in staat is om binnen 10 tellen weer op z’n benen te staan. Dit wordt een knockout of een KO genoemd. De scheidsrechter kan beslissen tot een technische knockout of een TKO. Dit is het geval als de bokser in de ogen van de scheidsrechter niet meer in staat is om goed partij te bieden. Als de strijd na een afgesproken aantal rondes niet is beslist door een KO of een TKO, dan wordt de winnaar bepaald door de scheidsrechter of door de scorekaarten van de jury.

Hoewel het vechten met vuisten natuurlijk overkomt, zijn het de Grieken die als eerste boksen als een sport introduceerden. Zij voerden regels in en organiseerden toernooien. Het geboortejaar van boksen als sport kan worden gevonden in 688 v. Chr. De sport werd toen officieel tot een Olympische sport benoemd.

Het moderne boksen evolueerde in Europa, vooral in Engeland. In sommige landen, die hun eigen vechtsporten hebben, wordt het boksen ook wel Engels boksen genoemd. Er zijn vele verschillende vormen van boksen die overal de hele wereld worden uitgeoefend.

Technieken
In het boksen zijn er 4 basisstoten: de jab, de cross, de hoek en de uppercut. Als een bokser rechtshandig is, dan is zijn linkerhand de voorhand en zijn rechterhand de achterhand. Voor een linkshandige bokser zijn de posities omgedraaid. In het onderstaande gaan we uit van een rechtshandige bokser.

Jab – dit is een snelle, rechte stoot met de linkerhand vanuit de dekking. De jab wordt vergezeld van een kleine rotatie van middel en heupen met de klok mee terwijl de vuist 90 graden draait zodat de impact horizontaal is. Zodra de stoot helemaal uitgerekt is, kan de schouder omhoog komen om de kin te beschermen. De achterhand blijft bij het gezicht om de kaak te beschermen. Nadat de stoot de tegenstander heeft geraakt, wordt de voorhand snel teruggetrokken en wordt weer een dekkingspositie ingenomen. De jab wordt beschouwd als de belangrijkste stoot van een bokser omdat deze voor veel dekking zorgt de opponent weinig ruimte tot een tegenstoot geeft. De stoot heeft het grootste bereik en heeft weinig inspanning nodig. Door de relatieve beperkte kracht die kan worden meegegeven aan de stoot, wordt deze vooral gebruikt om de afstand te meten, om de dekking van de tegenstander af te speuren, om de tegenstander te irriteren en om zwaardere stoten voor te bereiden. De bokser kan een beetje instappen om de stoot extra kracht mee te geven. Er zijn enkele boksers zoals Larry Holmes en Wladimir Klitschko die de techniek van de jab tot in perfectie beheersen en hiermee hun tegenstanders compleet kapot konden maken.

Cross – een krachtige, rechte stoot die wordt gegeven met de achterhand. Vanuit de dekking wordt de achterhand vanuit de kin gestoten zodat de stoot het lichaam kruist. De achterste schouder moet naar voren komen en net de buitenzijde van de kin raken. Op hetzelfde moment moet de voorhand naar het gezicht toe om de buitenzijde van de kin te beschermen. Om de stoot extra kracht mee te geven, kan het lichaam tegen de klok in worden gedraaid. Het is belangrijk dat het gewicht wordt verplaatst van de achterste voet naar de voorste voet. Het gevolg hiervan is dat de hiel omhoog komt en naar buiten draait en zodoende fungeert als balans. De draai van het lichaam en het snelle verplaatsen van het gewicht geven de cross zijn kracht. Net zoals bij de jab kan een extra stap naar voren worden gemaakt om extra kracht mee te geven. Nadat de stoot is gegeven, wordt de hand snel teruggetrokken en wordt de dekking weer ingenomen. De stoot kan worden gebruikt om een jab te counteren of om een hoek op te zetten. De cross kan ook een jab opvolgen zodat de klassieke “one-two” combinatie ontstaat. De cross wordt ook wel een rechtse genoemd.

Hoek – een half-ronde stoot die wordt gegeven met de voorhand naar de zijkant van het hoofd van de tegenstander. Vanuit de dekking wordt de elleboog naar achter gehaald terwijl de vuist horizontaal is en de elleboog gebogen is. De achterhand wordt stevig tegen de kaak gehouden om de kin te beschermen. Het middel en de heupen draaien met de klok mee zodat de vuist naar oren komt en vanuit een hoek de tegenstander raakt. Op het zelfde moment draait de voorste voet met de klok mee zodat de linkerhiel naar buiten draait. Nadat contact is gemaakt, wordt de voorhand weer snel teruggehaald en wordt de dekking weer ingenomen. Een hoek kan ook worden gericht op het onderlichaam en deze techniek wordt ook wel de “rip” genoemd om het te onderscheiden van de conventionele hoek naar het hoofd. De hoek kan ook worden gegeven met de achterhand.

Uppercut – een verticale, rijzende stoot die wordt gegeven met de achterhand. Vanuit de dekking verschuift het middel een beetje naar rechts, de achterhand daalt tot onder de borst van de tegenstander en de knieën zijn lichtjes gebogen. Vanuit deze positie wordt de achterhand met veel kracht in de vorm van een hoek naar boven gehaald waarbij wordt gericht op de kin of de borst van de tegenstander. Op het zelfde moment strekken de knieën zich en het middel en heupen draaien tegen de klok in en de hiel van de achterste voet draait naar buiten. Het lichaam maakt dus een beweging die lijkt op een kruis. De strategische bruikbaarheid van een uppercut is afhankelijk van het in onbalans brengen van de tegenstander om vervolgens andere stoten te gebruiken. De rechter uppercut gevolgd door een linkse hoek is een dodelijke combinatie waarbij de kin omhoog wordt geduwd zodat de linkse hoek vol kan landen om de tegenstander knockout te slaan.

Deze verschillende soorten stoten kunnen achter elkaar gegeven worden zodat combinaties ontstaan, ook wel “combo’s” geheten. De bekendste combo is de jab en cross combinatie, ook wel de een-twee combo geheten. Dit is een effectieve combinatie omdat de jab ervoor zorgt dat de tegenstander de cross niet ziet aankomen.

Een lange, zwaaiende ronde stoot vanuit de dekking heeft een groter bereik dan de hoek. Deze stoot wordt ook wel de roundhouse, haymaker of sucker-punch genoemd. Afhankelijk van het lichaamsgewicht en de centrifugale kracht kan de roundhouse een geweldige stoot zijn maar het is wel een stoot waardoor de dekking volledig wegvalt. Wijde stoten hebben verder als nadeel dat het veel tijd kost om ze uit te delen zodat de tegenstander veel tijd krijgt om te reageren en te anticiperen. Juist vanwege dit nadeel is de roundhouse geen conventionele stoot en wordt die door trainers beschouwd als een teken van slechte techniek en wanhoop. De stoot is goed te gebruiken als een tegenstander al murw geslagen is en niet in staat is om te anticiperen op de slechte dekking. Een andere onconventionele stoot is de zelden gebruikte “bolo stoot” waarbij enkele keren een wijde stoot wordt gegeven om de tegenstander in verwarring te brengen om vervolgens een gerichte stoot te geven.

Uitrusting
Bij boksen wordt er continue krachtig gestoten met de vuisten zodat het van belang is om de botten in de handen te beschermen. De meeste trainers staan het niet toe dat er wordt getraind zonder bandages enbokshandschoenen. Bandages worden gebruikt om de botten in de hand te beschermen en de bokshandschoenen zorgen ervoor dat de handen niet wordt geblesseerd. Bokshandschoenen zijn sinds de late 19de eeuw verplicht. De moderne bokshandschoenen zijn veel zwaarder dan die werden gebruikt aan het begin van de 20ste eeuw. Voordat een wedstrijd begint, bepalen de bokser met wat voor soort handschoenen de wedstrijd wordt aangevangen. Lichte handschoenen geven zware stoters het voordeel dat er meer schade aangericht kan worden. Het dragen van een gebitsbeschermer is verplicht en heeft twee functies namelijk het beschermen van de tanden en het dempen van de kaak zodat de kans kleiner wordt op een knockout. In het amateurboksen wordt hoofdbescherming gedragen. Dit beschermt de bokser tegen snijwonden en zwellingen. Tevens beschermt het tegen hersenschuddingen.

Boksers oefenen hun technieken op twee verschillende soorten bokszakken. Een kleine, druppelvormige “speed bag” wordt gebruikt om herhaalslagen te oefenen. Een grote “heavy bag”, gevuld met zand, wordt gebruikt om zware stoten te oefenen. In aanvulling op deze bokszakken zijn er nog vele andere attributen die een bokser gebruikt om kracht, snelheid en lenigheid te verkrijgen. Normale trainingsactiviteiten zijn touwtjespringen, roeien, gewichtheffen en oefeningen met medicijnballen. Op de zak worden specialezakhandschoenen gedragen die hiervoor beter geschikt zijn dan de trainings- en wedstrijdhandschoenen.